Ian MacMenamin Ian MacMenamin

In de bergen

19 september, 1500 meter

Vijf hoofdlampjes dwarrelen rond in het donker. Twee nog ver beneden. Eén in het midden. Twee voorop. W. leidt de weg. Het meer beneden blijft nog enkele minuten helderblauw voor het ook vervalt in het niets. We klauteren omhoog. Mijn lamp vangt spinnen die rustig wegwalsen. Daar is de kam. Een korte afdaling. ‘Ik zie de hut,’ zeg ik en een Italiaanse mug vliegt mijn keel binnen.

Ik kom kokhalzend aan bij Rifugio Biella.

W. en ik trekken onze schoenen uit en bestellen bier. De jongens komen binnen. Het personeel eet pasta aan een lange tafel. We zijn laat. Ze maken een snelle kost voor ons voor we licht slapen onder het geluid van de wind, gesnurk en gekraak.

20 september, 2300 meter

We stoppen onze wandeling voor taartjes. Een oude man is een half uur bezig zijn muziekinstallatie op te zetten op het terras. Hij pakt zijn gitaar net uit als we de weg vervolgen.

De groep splitst in tweeën wanneer we het oneens worden over waar te lunchen. A. en ik lopen door. Het taartje nog vers in het systeem.

Ergens boven op de berg zegt A. iets wat me herinnert aan jongere tijden. We lachen. Dennenbomen groeien tegen de grijze bergen op.

Een Amerikaanse vrouw loopt weg van haar gezelschap en geeft haar groep de opdracht een foto van haar te nemen. De groep negeert haar en loopt door. Ze vraagt het nog eens. Eveneens geen reactie. Ze wandelt verder. Een klein stukje achter haar groep Amerikanen aan.

21 September, 1700 meter

De groep splitst weer op. We wandelen met zijn drieën de bergen verder in. W. en B. hebben besloten een stuk te klimmen.

We zoeken een bergcluster genaamd: Vijf Torens. Ik wijs zo nu en dan naar enkele bergen en zeg dat het vast daar is.

Ik heb elke keer ongelijk.

De groep komt na 10 kilometer weer bij elkaar voor het laatste deel van de wandeling. De bergen lopen leeg. Dagjesmensen stappen de huurauto’s in en keren terug naar een badplaats of bergchalet.

‘Veel motorrijders hier,’ merkt B. op.
‘Ik zie alleen maar orgaandonoren,’ zegt N.
We lachen, duidelijk verheven boven de dagjesmensen.

Eén voor één plassen we wild. In het begin van de schemering zie ik mijn plasstraal over enkele paarse bloemen vallen. Twee gezette Duitse wandelaars lopen langs. We groeten elkaar. ‘Schön,’ zeg ik. De laatste druppels vallen op mijn goretex schoenen.

W. ziet als eerste de Vijf Torens. We roken buiten de hut een sigaret en drinken een glas bier. De zon daalt achter de bergen en een schaduwdeken bedekt de groene vallei.

Meer bier. Lokale wijn. Grappa. We grappen over blaren en scheten en geven ons geluk over aan de stilte van de hut.

We slapen slecht en ik val in een droom over insecten.

22 september, 2100 meter

De zon loert over een berg heen. Ik heb een kleine koffiemaker mee en zet zeer vroeg een klein bakje terwijl ik over de vallei tuur. Ik tape mijn blaren dicht en zie een vogel op zoek naar het licht de dauw van zich afschudden.

Er is stilte. Vriendschap. Ik beeld me in dat ik vader word en het kind de namen van de bomen leer. Muziek. De bergen stralen met de zonsopgang. W. stapt buiten en klaagt van een borrelbuik.

Eén voor één schijten we het toilet vol. De douche is warm. We wandelen herboren de vallei in voor een korte dag.

We arriveren energiek bij de volgende hut. Aan een meer. Twee Amerikanen zitten aan een tafel naast mij. De jongens zitten in de sauna. Ik hoor een Amerikaan zeggen: ‘Als ik in California ben eet ik elke dag avocado’s. De natuur kan me de reet roesten.’

‘Snap ik, ze zijn erg lekker,’ zegt zijn metgezel.

Er wandelt een berghond rond met diabetes. We zijn het erover eens dat dit een erg fijne plek is.

23 september, 2046 meter

Mijn trouwdag. We wandelen een berghut in voor een taartje. Drie zussen werken in de bediening en de keuken. Hun vader kijkt ons beschermend na.

Het taartje wordt kalm opgegeten. In onze gedachten beelden we het leven in de bergen in. En wat ervoor nodig zou zijn om de zegen van zo’n bergvader te bemachtigen. Ik ben mij er ineens erg van bewust dat mijn broek enigszins naar feces ruikt.

Ik ben blij dat ik getrouwd ben.

Halverwege komt W. erachter dat hij zijn telefoon bij de vorige hut is vergeten. Hij rent terug. Ik zie hem over een gevallen boomstronk springen en het bos in duiken. Wij eten rustig pasta, drinken een glas wijn en vervolgen de wandeling naar Rifugio Coldai.

Het gesprek gaat eigenlijk alsmaar over W. Zou hij het diner redden?

Twee minuten voor het diner begint voel ik zijn nabijheid. We hadden de kaart bekeken en hij zou nu toch in de buurt moeten zijn. Ik ren naar buiten. Niets. Schemering. Een wolk sluipt rustig tegen een berg op.

Ik loop verder. Om de hoek is er uitzicht over de vallei. Het is een rotklim. Maar het is W. Hij is sterk.

We staan nu allen buiten in onze slippers. Wangen roze van het bier. De gore, harige douche inmiddels vergeten. A. ziet hem als eerst. Natuurlijk. Arendsoog.

W. stapt heldhaftig de kam op onder het geluid van ons applaus en gejoel. We knuffelen hem. Nemen zijn rugzak van hem af en begeleiden hem naar zijn welverdiende rust. Een krakende hut in de wolken. Pasta. Polenta. Slaap.

24 september, 2160 meter

Het is 6.25 in de ochtend. De zon laat nog op zich wachten. Het scherpe massiefgebergte slaapt duister aan de horizon. De rij voor het ontbijt vormt. Vermoeid, maar met goede moed eten we ons vol genoeg voor nog een wandeling.

De rugzakken voelen minder zwaar.

We eten pasta en taartjes onderweg bij een hut. Drinken een espresso. Vervolgen de tocht. We stijgen door een bos. Een lang stuk recht omhoog. We schelden en vervloeken de berg. B. heeft goede benen en loopt voorop. W. strijdt rustig door terwijl hij gisteren 36 kilometer heeft afgelegd.

De dag sloopt ons maar breekt geen van ons. De route is hier en daar onduidelijk. We lopen tegen een bergwand op, voorbij de boomgrens. A. en ik stappen door en rusten pas uit bij de kam.

N. vecht tegen zijn blaren en klaagt geen moment. Wanneer allen bij de kam arriveren stoppen we even. Irritaties drijven naar de oppervlakte als vissen bij regen. Er is weinig aan te doen. Doorwandelen.

Het is zo mooi hier. De bergen en bossen wisselen zich af, agressieve rotsen die vanuit de aarde naar de hemel grijpen en in onmogelijke vormen tot voorbij mijn zicht sluimeren. Geen druppel regen.

We klauteren door naar de volgende hut en komen ondertussen een versufte hardloper tegen. We geven hem wat te eten en te drinken, waarna hij ons achterna sjokt naar Passo Duran. Zijn ouders wachten daar op hem.

Hij heeft de route die wij hebben gewandeld zonder te slapen volbracht. Zijn water raakte vier uur voor wij hem tegen het lijf liepen op. Zijn vader koopt een rondje bier voor ons als bedankje.

Het is voor een goed doel.

We zijn goed vermoeid. We bespreken wat we van de situatie vinden, eten gerust, vieren de verjaardag van B. en vinden uiteindelijk een goede nacht slaap, welverdiend.

25 september, 1700 meter

We zullen de bergen dadelijk verlaten. We zitten goed. Het is half zeven en de zon is nog ver weg. Het is koud en ik zit buiten de tocht te overdenken. Ik heb onze trouwdag gemist. Een zwangerschapstraining. Een belangrijke week op het werk.

Ik zie nog een wolk zich tegen een berg op drukken. De eerste zonnestralen breken van ver weg de ochtend open.

De berg riep ons en we moesten gaan. Zo zei Muir het. Zo is het.

Het is vandaag officieel B. zijn verjaardag. Onze wegen splitsen weer even, waar B. en A. een langere wandeling kiezen gaan W., N. en ik voor de kortere weg naar Algordo. Een hotel in Belluno. Een goede maaltijd.

De bergen uitwandelen brengt ons door prachtige weides met geiten, kleine hutten en bloemen. Enorme bomen strekken ver door in het landschap tot de bergen het overnemen. De bergen kijken nu op ons neer terwijl we dalen.

We zeggen ze welterusten.

Belluno, in de avond, is vriendelijk. Oude mannetjes spelen bij een café op een hoekje een kaartspel. N. en ik drinken een negroni. W. doet een dutje. B. en A. komen aan en douchen alvorens we een Chinees restaurant aandoen.

Mijn vrouw heeft op afstand de kaart bekeken en de bestelling doorgegeven. Zij weet het beter dan wij. We eten braaf en dolgelukkig een feestmaal. Drinken Chinees bier. En waggelen nog even naar de kroeg van Carletto, een oude punker die in Belluno een subcultuur heeft ontwikkeld. Iedereen drinkt bij Carletto een klein biertje en bespreekt ogenschijnlijk belangrijke zaken.

Carletto heeft alles onder controle. Wanneer ik om whiskey vraag raadt hij het ten strengste af. ‘Daar komt niets goeds van,’ zegt hij in gebroken Engels.

26 september, zeeniveau

We slapen in een partyhostel in Venezia Mestre. Een DJ draait tot diep in de nacht plaatjes die door het plafond dreunen.

We zijn moe. Venetië was veel. Prachtig, maar overbodig. De dagjesmensen die in de bergen al parasitair aandeden hebben deze stad volledig leeggezogen.

De nacht is kort wanneer we uiteindelijk weer ontwaken en onze weg naar het vliegveld weten te vinden.

Ik sluit mijn ogen voor een moment in de bus en zie mijn vrienden voor me. De bergen. We banen een weg omhoog. Delen eten. Stoppen voor het uitzicht. Omhelzen elkaar.

We vliegen nog over de bergen heen naar huis.  

Read More